De wetenschap denkt niet

De wetenschap moet nog beginnen wetenschappelijk te zijn

Gravure uit de Flammarion (1888) door een onbekende artiest

Afbeelding: Gravure uit de Flammarion (1888) door een onbekende artiest

“De ‘schijnbare’ wereld is de enige: de ‘ware wereld’ is er slechts bij verzonnen…”—Friedrich Nietzsche1

De filosofie maakt zichzelf tot vraagstuk, schreef de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) op jonge leeftijd: “In tegenstelling tot onderzoekers op andere vlakken van de wetenschap schijnt het iets specifieks van de filosoof te zijn dat hij altijd allereerst zijn wetenschap zelve tot probleem stelt. Wat is filosofie?”2 De wetenschap daarentegen capituleert bij monde van de beroemde natuurkundige Stephen Hawking, die zegt: “Er bestaat geen beeld- of theorie-onafhankelijk concept van de werkelijkheid.3 De wetenschap weet niet wat werkelijkheid is en moet er eigen modellen voor verzinnen. Hawking heeft zijn theorieën over het ontstaan van ons universum gebaseerd op wat hij “modelafhankelijk realisme” noemt, maar als de natuurwetenschap per definitie niet kan weten wat de werkelijkheid is waarvan zij het ontstaan meent te onderzoeken, wat is dan wetenschap?

De wetenschap blijkt religie te bedrijven. Ze gelooft in een onbewezen of misschien zelfs onbewijsbare werkelijkheid die ze voor waar aanneemt en die ze ceteris paribus ook God kan noemen: Er bestaat geen beeld- of theorie-onafhankelijk concept van God. Wat is nu het verschil tussen God en de werkelijkheid? Wil de wetenschap wetenschappelijk zijn dan moet ze eerst zichzelf tot probleem verheffen. En dat kan alleen de filosofie. Een filosoof kan vragen waarom de wetenschap geen modelafhankelijke werkelijkheid kent. De gehele wetenschap staat of valt met een enkele onwetenschappelijke aanname over wat werkelijkheid is. Wat zegt het eigenlijk over het wezen van de werkelijkheid dat zij zich niet blootgeeft aan wetenschappelijke methoden?

Onze werkelijkheid zou fysiek tastbaar zijn, geregeerd door tijd en ruimte. Dit geldende doch onbewezen werkelijkheidsmodel bepaalt en beïnvloedt de wetenschap die binnen zijn contouren beweegt. Kiezen we voor een ander model van de werkelijkheid gebaseerd op wiskundige zelfgelijkvormigheid dan lokt de werkelijkheid de wetenschap in een oneindige, zichzelf herhalende val waar de wetenschap niet uit kan ontsnappen zonder zichzelf op te heffen. Zelfgelijkvormigheid van een object heet in de wiskunde “dat dit object precies of bij benadering gelijkvormig is aan een deel van zichzelf”4 en dat in het oneindige. Neem bijvoorbeeld tijd. Een seconde lijkt op een minuut; een microseconde lijkt op een seconde; enzovoorts. Naarmate wetenschappelijke meetinstrumenten tijd steeds fijner meten zullen die instrumenten tot in het oneindige steeds kortere tijdsperiodes kunnen aanwijzen, maar ze zullen nooit een elementair deeltje ‘tijd’ ontdekken.

Hetzelfde zou voor de ruimtelijke werkelijkheid kunnen gelden. We beginnen bij organen en enzymen en komen via moleculen en atomen uit bij kwantumdeeltjes, en verder. Net als in het voorbeeld van tijd geldt in dit model dat we, naarmate we de wetenschappelijke apparatuur verfijnen, steeds kleinere deeltjes zullen blijven ontdekken. Toch komen we zo nooit bij een elementair deeltje ‘materie’ uit. De werkelijkheid blijft zich in dit model oneindig herhalen. Hoe dieper we graven, des te meer we vinden, maar geenszins heeft wat we vinden iets met een werkelijke werkelijkheid te maken. Deze zich oneindig herhalende werkelijkheid bezit een elastisch kenmerk dat de wetenschap oneindig kan uitrekken zonder ooit iets over het wezen van die werkelijkheid te ontdekken, omdat ze berust op een eeuwige wederkeer van hetzelfde.

Men kan dus niet zeggen dat het gekozen werkelijkheidsmodel voor de overige wetenschap niets uitmaakt. Een wetenschap die het wezen van de werkelijkheid niet kent blijft ondergeschikt aan kosmische onwetendheid. Bijvoorbeeld, zou de wetenschap volgens een bepaald model van de werkelijkheid een definitieve consensus bereiken, dan blijft de eeuwige twijfel bestaan of het gekozen model wel het juist was en of we, indien de mensheid de afgelopen 2500 jaar geschiedenis over zou kunnen doen, wel tot dezelfde consensus zouden zijn gekomen. Is de wetenschap het resultaat van de werkelijkheid of van arbitraire historische keuzes? In een ander model, waarin de wetenschap nooit tot een definitieve consensus komt, rijst de vraag of de mens het wezen van zijn eigen werkelijkheid beïnvloedt. Wekt de wetenschapper zijn eigen resultaten op?5 En in weer een ander model, waarin we het wezen van de werkelijkheid als veranderlijk aannemen, staat de wetenschap voor paal, want dan heeft zij überhaupt geen voorspellende waarde meer.

Maar de wetenschap kan met haar methoden niet vaststellen welk model van de werkelijkheid het juiste is. Zij kan evenmin iets zinnigs over haar eigen wezen zeggen; de wetenschap denkt niet. In zijn enige televisie-interview ging Martin Heidegger in op de vraag over de wetenschap:

“De wetenschap beweegt zich niet in de dimensie van de filosofie. Ze is echter, zonder dat ze het weet, van deze dimensie afhankelijk. Bijvoorbeeld, de natuurkunde beweegt zich op het vlak van ruimte en tijd en beweging. Wat beweging, wat ruimte, wat tijd is, kan de wetenschap als wetenschap niet beslissen. De wetenschap denkt dus niet. Dat betekent, zij kan helemaal niet denken, in die zin, met haar methoden. Ik kan niet, bijvoorbeeld, natuurkundig of met natuurkundige methoden zeggen wat natuurkunde is, maar wat natuurkunde is kan ik slechts denkend, filosoferend zeggen. De zin de wetenschap denkt niet is geen verwijt, maar is slechts een constatering van de innerlijke structuur van de wetenschap, wat tot haar wezen hoort dat ze enerzijds van dat wat filosofie denkt afhankelijk is, maar dat zelf echter vergeet en negeert.”6

Met de uitspraak dat de wetenschap niet denkt zegt Heidegger niet dat wetenschappers niet over hun formules nadenken, maar dat ze de onbewezen aannames waar ze die formules op berusten niet eerst in twijfel te trekken. Wat gebeurt er straks met bibliotheken vol natuurkundig onderzoek wanneer zou blijken dat beweging niet bestaat? Kunnen de menselijke zintuigen, en ook de door menselijke zintuigen ontwikkelde meetinstrumenten, überhaupt een werkelijke werkelijkheid waarnemen? Mensen met de aandoening akinetopsia nemen bijvoorbeeld geen beweging waar. In plaats van vloeiende overgangen zien deze patiënten de wereld om zich heen als opeenvolgende fotografische beelden die plots verspringen. Met hun ogen is echter niets aan de hand. Deskundigen zoeken de oorzaak in een hersenafwijking die beweging vergeet te verwerken, maar ook het omgekeerde is mogelijk: wat als beweging niet werkelijk bestaat en onze hersenen beweging simuleren als het evolutionaire antwoord op een anders voor ons onbegrijpelijke werkelijkheid?7

Wanneer beweging geen kenmerk van de hardware van de werkelijkheid zou zijn, maar enkel een simulatie van onze hersensoftware, dan zou de wetenschap die beweging meet niet wetenschappelijk zijn, maar psychologisch. In dat geval meet de wetenschap niet een werkelijke afstand die een object tussen punten A en B aflegt, maar enkel de psychologische illusie van afstand die menselijke hersenen opwekken. Wetenschappelijke instrumenten die we gebruiken om zulke illusoire beweging te meten zijn dan geen product van onafhankelijke technologie, maar van psychologische projectie in de wereld. De wetenschap die de mens uit haar vergelijkingen wilde halen om de werkelijkheid direct te kunnen meten, dus zonder menselijke tussenkomst, bestaat dan niet.

De crisis van de wetenschap is dat zij bovenstaande constateringen met haar methodes noch kan bevestigen, noch kan weerleggen. Zij kan niet vaststellen of beweging enerzijds een eigenschap van een werkelijke werkelijkheid zou zijn of anderzijds het kenmerk van een psychologische projectie van de mens. De wetenschap kent alleen een modelafhankelijke werkelijkheid. Daarom moeten we het volgende over de wetenschap concluderen: Niet alleen denkt de wetenschap niet, de wetenschap is niet wat zij beweert te zijn. Zij is niet wetenschappelijk.

Filosoof en natuurkundige professor Carl Friedrich von Weizsäcker (1912-2007) argumenteerde als volgt tegen Heideggers verwijt van gedachteloosheid:

“Ik denk dat een directe invloed van het Heideggerse denken op de huidige natuurwetenschap nauwelijks bestaat. Ik denk echter dat men zich daar ook niet zo zeer over moet verwonderen, want de verhouding tussen natuurwetenschap en filosofie lijkt me ongeveer zo te zijn: Heidegger heeft af en toe gezegd—en hij heeft de wetenschappers daarmee geërgerd, maar hij heeft er iets heel belangrijks mee gezegd—dat de wetenschap niet denkt. Dat wil zeggen: de wetenschap, in tegenstelling tot de filosofie, trekt haar eigen aannames niet in twijfel, bevraagt ze niet. Dat bedoelde hij hier. Nu, een wetenschap die haar eigen aannames niet in twijfel trekt zal natuurlijk ook niet worden beïnvloed door een filosofie die juist dit doet. In werkelijkheid echter denk ik dat het proces zo is dat de moderne natuurwetenschap, en überhaupt alle natuurwetenschap, daar waar ze werkelijk grote stappen doet dat precies daardoor doet dat zij toch denkt en zowaar in de Heideggerse zin, namelijk: haar grote sprongen betekenen juist dat ze haar aannames betwijfelt. En dat is in de relativiteitstheorieën, in de kwantumtheorieën in onze eeuw gebeurd. Maar dat is gebeurd zonder invloed van Heidegger, maar echter niet zonder invloed van filosofie.”8

Weizsäcker beweert dat de wetenschap haar eigen aannames wel degelijk in twijfelt trekt en juist daardoor in staat is grote sprongen te maken, zoals met Einsteins relativiteitstheorie gebeurde. Einstein gaf echter geen antwoord op de vragen wat tijd is, wat ruimte is en wat beweging is. Weizsäcker introduceerde in het bovenstaande citaat dan ook een uiterst geraffineerde drogreden door de frase “eigen aannames” een eigen betekenis te geven. Het klopt in de Weizsäckerse zin dat Newtons geometrie die van Euclides verving door Euclidische aannames in twijfel te trekken. Het klopt dat Einsteins relativiteitstheorie Newtons aannames in twijfel trok, maar de twijfel beperkte zich tot aannames die binnen de wetenschap werden gesteld.

Noch Euclides, noch Newton, noch Einstein trokken de wetenschap zelve in twijfel door te vragen: wat is wetenschap? Zij twijfelden niet aan ruimte, maar aan Euclidische ruimte. Ze twijfelden niet aan beweging, maar aan Newtons begrip van beweging. De moderne wetenschap trekt tijd niet in twijfel, maar Einsteins concept voor tijd. Juist door zich enkel en alleen te beperken tot zulke “eigen aannames” blijft de wetenschap voor eeuwig in zichzelf gevangen. Echte wetenschap begint niet met het in twijfel trekken van een enkele aanname, maar met het in twijfel trekken van alle aannames. En juist dat kan de wetenschap niet doen zonder te concluderen dat ze nog niet wetenschappelijk is.

Welk doel dient een wetenschap die de werkelijke werkelijkheid niet wil en niet kan onderzoeken? Net als de primitieve technologie in de handen van chimpansees, stenen en knuppels, dient de fundamentele wetenschap van de ‘denkende’ mens primair het doel van zijn overleving in een eindeloze voortplantingsstrijd, zowel met andere mensen als met alle andere levensvormen. Menselijke wetenschap zou wel eens een voortplantingsstrategie van veelal samenwerkende mannen kunnen zijn die hun subjectieve wetenschap inzetten om de voortplantingskansen van hun eigen groepsleden te vergroten—dit heet dan vooruitgang. Zetten zij wetenschap in om de kansen van concurrerende groepen middels intimidatie, sabotage, slavernij, onderdrukking of vernietiging te verkleinen, dan noemen we dat oorlog.

Dus wat is wetenschap? Wetenschap is een wapen in dienst van menselijke vooruitgang en oorlog, bedoeld om een bepaalde groep of bepaalde groepen voor te trekken ten opzichte van anderen. Dat er een internationale wetenschappelijke gemeenschap bestaat doet niets af aan deze stelling. Het uitwisselen van wetenschappelijke inzichten tussen twee groepen kan beide groepen een wederzijdse voorsprong bieden ten opzichte van weer een andere, derde groep. Het bestaan van een internationale gemeenschap waarin alle groepen een wederzijds voordeel genieten betekent niet dat zij allen gelijkwaardige voordelen genieten. Er zijn relatieve winnaars en verliezers.

De moderne wetenschap kent een westerse, zelfs Amerikaanse vooringenomenheid. Dat betekent niet alleen dat nieuwe wetenschappelijke inzichten toevalligerwijs voornamelijk van Amerikaanse instituten komt, maar ook dat Amerikanen eigen inzichten met geld en geweld in hun eigen voordeel kunnen verdedigen.

Men kan niet zeggen dat het Westen terecht op de kennis van klassieke wetenschappers voortborduurde, alsof de wetenschap de weg van een cumulatieve vooruitgang volgt. Vooruitgang is een subjectief westers idee. Het was een westerse beslissing om bij de Klassieke Oudheid te beginnen. Bovendien hebben de oude Grieken en Romeinen naar moderne maatstaven nauwelijks gelijk gekregen. Hetzelfde zal met de moderne wetenschap gebeuren. Over tweeduizend jaar zullen nieuwe beschavingen Einsteins waarheden best kunnen weerleggen, net zoals wij die van Euclides weerlegden, maar dit betekent dan evenmin objectieve vooruitgang, maar eerder subjectieve verandering.

We weten ook niet, en zullen nooit kunnen weten, of het mogelijk is dat Euclides’ wetten in zijn tijd wel degelijk geheel klopten en dat de werkelijkheid waarin wij leven zich in de tussentijd heeft veranderd waardoor de wetten van Einstein pas gingen gelden? De wetenschap kan zo’n veranderlijke werkelijkheid bevestigen noch ontkennen, omdat de wetenschap ten allen tijden aan haar ondergeschikt blijft.

De beweringen dat de wetenschap wetenschappelijk zou zijn en de werkelijkheid werkelijk zijn dus ondergeschikt aan subjectieve menselijke belangen. Amerika en het Westen hebben er belang bij dat ze hun subjectieve wetenschap als absoluut waar aan de wereld kunnen verkopen. Zolang zij de macht hebben om dit te doen kunnen ze ongewenste inzichten die de westerse machtspositie zouden kunnen schaden onderdrukken. Volgens de wet van de verminderde meeropbrengst kosten nieuwe wetenschappelijke inzichten het Westen steeds grotere investeringen met steeds kleinere opbrengsten. Op de langere termijn loopt wetenschappelijk onderzoek altijd het risico te duur worden. De beste wetenschappers zullen de wetenschap dan verlaten om zich op andere, meer winstgevende gebieden storten.

Zo gezien is het zelfs geen vaststaand feit dat de Aarde rond is. Een nieuwe wereldbeschaving die zich de macht en de middelen toe-eigent om alle satellieten neer te halen, om westerse kennis te vernietigingen en alle schoolboeken te herschrijven zal de Aarde weer plat kunnen maken. Alle wetenschap is en blijft subjectieve wetenschap, wetenschap ten opzichte van iets anders, namelijk de menselijke voortplantingsstrijd.


1 Friedrich Nietzsche, Götzen-Dämmerung oder Wie man mit dem Hammer philosophirt (Project Gutenberg, 2005), hfdst. 5: Die »Vernunft« in der Philosophie, §2.
2 Martin Heidegger, Frühe Schriften, vol. 1, Gesamtausgabe (Frankfurt am Main: Klostermann, 1978), 69.
3 Stephen Hawking en Leonard Mlodinow, The Grand Design (New York: Bantam Books, 2010), hfdst. 3: What is reality?
4 “Zelfgelijkvormigheid”, Wikipedia, 10 maart 2016, https://nl.wikipedia.org/w/index.php?title­Zelfgelijkvormigheid&oldid=4....
5 Richard Conn Henry, “The Mental Universe”, Nature 436 (7 juli 2005): 29.
6 Martin Heidegger, Von der Sache des Denkens: Vorträge, Reden und Gespräche aus den Jahren 1952 - 1969 (München: der Hörverlag, 2009).
7 Justin T. Mark, Brian B. Marion, en Donald D. Hoffman, “Natural Selection and Veridical Perception”, Journal of Theoretical Biology 266, nr. 4 (21 oktober 2010): 504–15, doi:10.1016/j.jtbi.2010.07.020.
8 Ulrich Boehm en Rüdiger Safranski, Philosophie Heute: Martin Heidegger - Der Zauberer von Meßkirch (Junius Verlag GmbH, 1989).

Reacties

Creative Commons-Licentie
De wetenschap denkt niet van Mathijs Koenraadt is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 4.0 Internationaal-licentie.