Goud in lood veranderen

De levenslange gevolgen van nadelige jeugdervaringen

Bunnik door Mathijs Koenraadt | CC BY-NC-ND

Afbeelding: Bunnik door Mathijs Koenraadt | CC BY-NC-ND

„Verontschuldig nooit voor het tonen van gevoel, beste vriend. Onthoud dat wanneer je dat doet je voor waarheid verontschuldigt.”—Benjamin Disraeli, Contarini Fleming1

Slachtoffers van kindermishandeling verdringen hun herinneringen uit schaamte, vanwege een sociaal taboe of uit respect voor de ouders, maar zolang we het verband tussen nadelige jeugdervaringen en problemen later in het leven blijven ontkennen, helpt geen therapie of medicatie om die problemen op te lossen. Door emotioneel eerlijk te zijn tegenover onszelf kunnen we het maatschappelijke taboe op praten over de gevolgen van kindermishandeling doorbreken. Dat begint met durven vragen wat voor uitwerking traumatiserende ervaringen op onze levens hebben gehad.2

Goud in lood veranderen

Wat is de doodsoorzaak van iemand die zelfmoord pleegt door van een balkon te springen, de val of de depressie?3 Terwijl de psychotherapie als kind getraumatiseerde patiënten naar vergiffenis van ooit mishandelende ouders kan sturen, maken artsen en ander medisch personeel andere afwegingen. De symptomen van een mishandelde jeugd verdwijnen namelijk niet door zich met de ooit mishandelende opvoeders te verzoenen.

Medisch personeel behandelt dagelijks de gezondheidsschade die een mishandelde jeugd aanricht, zoals bijvoorbeeld de gevolgen van een alcohol- of drugsverslaving, zwaarlijvigheid, depressies en mislukte zelfmoordpogingen. Getraumatiseerde mensen vinden in dergelijke zelfvernietigingsdaden een schijnoplossing die de pijn van hun verledens verdooft. Door echter alleen naar de symptomen van diepere trauma’s te kijken, verliest de maatschappij veel aan voorkombare medische inzet en onnodig ziekteverzuim.

Onderzoeker Vincent Felitti en zijn collega’s ontdekten tijdens een onderzoek naar zwaarlijvigheid per toeval de ware oorzaak van veel zelfvernietigend gedrag bij volwassenen. In de jaren tachtig zette Felitti een breed programma op om mensen te helpen afvallen. Wat hem opviel, was dat deelnemers die het meest afvielen de grootste kans hadden om het programma vroegtijdig af te breken.

Hij vroeg de afgevallen kandidaten in een vervolgonderzoek naar de reden en ontdekte dat “voor veel mensen overgewicht niet hun probleem was, [maar] de beschermende oplossing voor problemen die eerder met niemand waren besproken.”4 De zwaarlijvigheid was slechts een symptoom van een dieper, onopgelost probleem.

Het verborgen trauma

De afgevallen deelnemers verklaarden dat ze zich door hun gewichtsverlies onzeker gingen voelen. Een zwaarlijvige vrouw van in de zestig die aan hart- en vaatziekten leed, vertelde bijvoorbeeld dat ze als jonge vrouw begin twintig was verkracht. Het overtollige gewicht dat ze in het jaar na haar verkrachting absorbeerde, beschermde haar tegen seksuele aandacht van mannen.5

Haar overgewicht isoleerde de pijn van een onverwerkt seksueel trauma, maar de artsen zagen alleen het overgewicht, niet het eerdere trauma. Het kwartje viel bij Felitti en zijn collega’s dat nadelige jeugdervaringen wel eens de oorzaak van veel problemen later in het leven zouden kunnen zijn, een ogenschijnlijk simpel verband dat medische wetenschappers nog niet eerder hadden aangetoond:

“Veel van onze meest hardnekkige volksgezondheidsproblemen zijn het gevolg van pogingen om persoonlijke oplossingen te vinden voor door traumatische jeugdervaringen veroorzaakte problemen die zijn verloren door verjaring en verborgen door schaamte, geheimhouding en sociale taboes op het dieper graven naar bepaalde onderwerpen.”6

De ACE-studie

In samenwerking met een Amerikaanse volksgezondheidsorganisatie besloten de onderzoekers een grootschalige studie naar het effect van nadelige jeugdervaringen op psychische en lichamelijke klachten in volwassenheid op te zetten. De zogeheten Adverse Childhood Experiences (ACE) studie leidde tot meer dan vijftig wetenschappelijke publicaties die tezamen de verwoestende medische gevolgen van vroege jeugdtrauma’s hebben bewezen.

De ACE-studie keek naar het aantal kwalitatieve categorieën mishandeling waar mensen als kind aan hadden geleden. Ze onderzochten dat aan de hand van een vragenlijst. De onderzoekers ontdekten dat door de combinatie van meerdere categorieën mishandeling het risico op latere klachten zich opstapelt.7 Felitti vraagt zich af waar het mis ging:

“Hoe kan dit gebeuren, deze omgekeerde alchemie, het goud van een nieuwgeboren baby om te zetten in het lood van een depressieve, zieke volwassene? De [ACE-studie] maakt duidelijk dat tijd sommige negatieve ervaringen […] niet heelt. Men kan sommige dingen niet ‘gewoon loslaten’, zelfs niet vijftig jaar later.”8

Terug naar een bio-psycho-sociaal model

De uitkomst van de ACE-studie maakt velen in de medische wereld ongemakkelijk, omdat ze geen of weinig ervaring met de soms schokkende verhalen van als kind mishandelde mensen hebben.9 Artsen raken zelf niet graag getraumatiseerd door de verschrikkelijke gebeurtenissen die hun patiënten ooit moesten doorstaan.10

Veel vroeg leed blijft daardoor onzichtbaar, omdat professionele hulpverleners er niet naar vragen. Huisartsen zien weliswaar de blauwe plekken en kneuzingen aan kinderlichaampjes, maar ze zien niet hoe erg kinderen psychologisch hebben geleden onder bijvoorbeeld vernederingen of ruzies tussen hun ouders. Juist die emotionele klappen veroorzaken later in het leven de grootste problemen.

Terwijl in de medische wereld een debat woedt over de invloed van de farmaceutische industrie, omarmen steeds meer medici een bio-psycho-sociaal ziektemodel van de mens.11 Dat model houdt in dat psychische klachten niet alleen het exclusieve gevolg van genen of virussen zijn, maar ook deels of grotendeels het gevolg van de innerlijke psychologische toestand van de patiënt, bijvoorbeeld de som van zijn nadelige jeugdervaringen.

De ACE-resultaten ondersteunen deze visie. Artsen die niet naar de sociale geschiedenis van hun patiënt kijken, lopen kans dat ze derdegraads symptomen behandelen die eerder het psychosomatische gevolg zijn van een mishandelde jeugd dan van tussenliggende symptomen.12

Gevolgen van nadelige jeugdervaringen

De vragenlijst van het ACE-onderzoek onderzocht tien categorieën van nadelige ervaringen waaraan mensen als kind werden blootgesteld, namelijk lichamelijke, emotionele en seksuele mishandeling; lichamelijke en emotionele verwaarlozing; en verschillende typen dysfunctionele huishoudens, zoals gescheiden of depressieve ouders. Iedere categorie telt voor één punt. Wat zijn precies de gevolgen van jeugdtrauma’s?

Mensen met een ACE-score van vier, dus mensen die als kind slachtoffer werden van vier verschillende categorieën mishandeling, lopen later in het leven bijvoorbeeld meer kans op depressie en zelfmoordpogingen dan mensen met een ACE-score van nul. Ook vonden de onderzoekers dat nadelige jeugdervaringen later in het leven kunnen leiden tot een verhoogde kans op roken, longziekten, drugsgebruik, alcoholisme, persoonlijkheidsstoornissen, hartklachten, suikerziekte, zwaarlijvigheid, psychosen, schizofrenie en ongewenste zwangerschappen.13

Vernederde kinderen

De gevolgen van zulke trauma’s werkten tot wel een halve eeuw na de mishandelingen door, wat betekent dat ouders die hun kinderen traumatiseren hen tot een levenslange straf veroordelen. Psychoanalytica Alice Miller begreep dat een geslagen kind van nature met woede op zijn mishandelingen wil reageren, maar ze vraagt zich af wat er met een kind gebeurt dat zijn ware gevoelens voor mishandelende opvoeders moet verbergen “en deze behandeling ook nog als een weldaad moet aannemen.”14

Felitti en zijn collega’s van de ACE-studie bevestigen dit inzicht: “[We] moesten erkennen dat de vroegste jaren van iemands kindertijd niet verloren gaan, maar als een kinds voetafdrukken in nat cement vaak levenslang zijn.”15

Het is niet zo dat de schade door jeugdmishandelingen pas in volwassenheid boven komt drijven. Al zeer vroeg vertonen geslagen en vernederde kinderen verstoord gedrag. Leraren en andere opvoeders geloven vaak dat het probleemgedrag in de kinderen zelf zit, dat ze ermee werden geboren of dat ze ‘gek’ zijn, maar alleen omdat ze de ware oorzaken niet kennen. Een onderzoeker schetst de traumatiserende gevolgen die al bij baby’s en peuters opduiken:

“Men heeft lang gedacht dat erg jonge kinderen geweld niet begrijpen of geweld weer vergeten. Dat is niet het geval… De manier waarop kinderen hun problemen als getuigen van agressie uiten, verschilt per leeftijd, maar zelfs baby’s van minder dan één jaar oud reageren op geweld met excessief huilen, het onvermogen om aan te komen, moeilijkheid te worden gesust, overdreven schrikreacties, een bevroren lichaamshouding, stijfheid, treurige en teruggetrokken gezichtsuitdrukkingen en een gebrek aan interesse om de omgeving te ontdekken…

Peuters en kleuters […] hebben nachtmerries, moeite met slapen gaan, intense verlatingsangst, verhoogde waakzaamheid, meerdere angsten, emotionele teruggetrokkenheid en ga zo maar door. Schoolkinderen en jongvolwassenen vertonen dezelfde gedragingen, maar ook experimenteren ze vroeg en overmatig met seksualiteit en met verboden middelen, uiten hun woede tegen autoriteiten, presteren slecht op school en vertonen crimineel gedrag…”16

De hersenen vormen in de tienerjaren belangrijke zenuwbanen die de volwassen persoonlijkheid zullen vormen. Veel vroeg misbruik manifesteert zich in deze vormende jaren dan ook als persoonlijkheidsstoornis.17 Dat maakt het voor hulpverleners zo moeilijk om de ware oorzaken van gedragsgestoorde tieners te verklaren, omdat de vroege trauma’s die verstoord gedrag veroorzaken voor de buitenwereld volledig verborgen blijven.


1 Benjamin Disraeli, Contarini Fleming: An Autobiography (New York: D. Appleton and Company, 1870), 17.
2 Valerie J. Edwards e.a., “It’s OK to Ask About Past Abuse”, American Psychologist May-June (2007): 327.
3 Robert F. Anda e.a., “Building a Framework for Global Surveillance of the Public Health Implications of Adverse Childhood Experiences”, American Journal of Preventive Medicine 39, nr. 1 (2010): 94.
4 Vincent J. Felitti, “The Relationship of Adverse Childhood Experiences to Adult Health: Turning Gold into Lead”, 2002, 2.
5 Ibid.
6 Vincent J. Felitti en Robert F. Anda, “The Relationship of Adverse Childhood Experiences to Adult Health, Well-Being, Social Function, and Healthcare”, in The Impact of Early Life Trauma on Health and Disease: The Hidden Epidemic, bewerkt door Ruth A. Lanius, Eric Vermetten, en Claire Pain (Cambridge: University Press, 2008), 14.
7 Anda e.a., “Building a Framework for Global Surveillance of the Public Health Implications of Adverse Childhood Experiences”, 95.
8 Felitti, “The Relationship of Adverse Childhood Experiences to Adult Health: Turning Gold into Lead”, 2.
9 Felitti en Anda, “The Relationship of Adverse Childhood Experiences to Adult Health, Well-Being, Social Function, and Healthcare”, 14.
10 John Read e.a., “Child Maltreatment and Psychosis: A Return to a Genuinely Integrated Bio-Psycho-Social Model”, Clinical Schizophrenia & Related Psychoses 2, nr. 3 (2008): 236.
11 Ibid.
12 Robert F. Anda e.a., “The Enduring Effects of Abuse and Related Adverse Experiences in Childhood: A Convergence of Evidence from Neurobiology and Epidemiology”, European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience 256 (2006): 182.
13 Felitti, “The Relationship of Adverse Childhood Experiences to Adult Health: Turning Gold into Lead”, 6.
14 Alice Miller, Evas Erwachen: Über die Auflösung emotionaler Blindheit (Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag, 2001), 62.
15 Felitti en Anda, “The Relationship of Adverse Childhood Experiences to Adult Health, Well-Being, Social Function, and Healthcare”, 2.
16 Robert M. Reece e.a., “Children: The Hidden Victims of Domestic Violence”, Health Alert 8, nr. 1 (2001): 7.
17 Steven J. Phillipson, “When the Going Gets Tough… The Perfectionist Takes Control?: Early Recognition of Perfectionism amongst Adolescents from Ages 12 - 21”, 2013, http://www.ocdonline.com/#!going-gets-tough/c1sbr.

Reacties

Creative Commons-Licentie
Goud in lood veranderen van Mathijs Koenraadt is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 4.0 Internationaal-licentie.