Het verdrongen verleden

Genezing van een negatief zelfbeeld

IJsland door Moyan Brenn | CC BY

Afbeelding: IJsland door Moyan Brenn | CC BY

„Ervaring is, voor mij, de hoogste autoriteit. De toetssteen van geldigheid is mijn eigen ervaring. Geen van mijn eigen ideeën noch die van een ander persoon zijn zo gezaghebbend als mijn ervaring. Naar ervaring moet ik steeds weer terugkeren om een dichtere benadering van de waarheid te ontdekken zoals zij bezig is in mij tot stand te komen.”—Carl Rogers, Mens worden1

Terwijl we de leukste momenten van een avondje uit een leven lang kunnen onthouden, raken we ondanks ons bijzondere geheugen de vervelendste herinneringen aan onze jeugd vaak kwijt, omdat we ze moesten verdringen. Maar als we de historische oorzaken voor emotionele problemen waar we als volwassenen aan lijden niet meer kunnen herinneren, zoals bijvoorbeeld een gebrek aan zelfvertrouwen of een negatief zelfbeeld, dan zullen we onterecht denken dat het probleem aan onszelf ligt.

In plaats van de ware oorzaken te begrijpen, sluiten we de toegang tot het verleden af met medicatie, met therapie die ons tot vergiffenis dwingt of door in drank en drugs onze zelfvernietiging te zoeken. Pas wanneer we die afweermechanismen afbreken, en ook onprettige herinneringen weer in ons bewustzijn durven toelaten, kunnen we voor het eerst beginnen om de pijn van het verleden te verwerken.

Mogen we herinneren?

De Stichting Skepsis heeft “een kritische blik op buitengewone beweringen, pseudowetenschappelijke theorieën, dubieuze therapieën en paranormale overtuigingen.”2 Ze waarschuwt voor het opwekken van ‘hervonden’, oftewel valse herinneringen uit de jeugd. Mensen zouden zulke valse herinneringen niet van echt kunnen onderscheiden. Niet alleen zouden volwassenen jonge kinderen gemakkelijk fantasiegebeurtenissen kunnen aanpraten, waarvan de kinderen vervolgens geloven ze echt te hebben meegemaakt, maar volwassenen kunnen ook in hun eigen zelfverzonnen herinneringen gaan geloven.3

Als de stichting gelijk heeft, plaatst het herinneringen aan vroeg kindermisbruik eveneens in een twijfelachtig licht. Zijn de herinneringen die in ons opkomen wel echt waar of hebben we ze zelf verzonnen? Sommige kwakzalvers die zich als psychotherapeuten voordoen, specialiseren zich in het opwekken van dergelijke herinneringsvervalsingen en richten hun nietsvermoedende patiënten grote schade aan.

Organisaties als Stichting Skepsis verdienen daarom waardering voor hun inzet. Toch klopt er iets niet: waarom waarschuwen zo vele instanties en therapeuten ons wél voor valse jeugdherinneringen, maar doen ze dat niet voor de omgekeerde situatie wanneer we ware herinneringen onterecht verdringen?

De geblokkeerde weg naar de waarheid

De sociale omgeving werkt vaak niet mee aan de verwerking van vroege jeugdtrauma’s. Een eerste hindernis om trauma’s te kunnen herinneren, is de reactie van onze naasten. Familie, vrienden of collega’s bieden in veel gevallen weerstand tegen onze vroege herinneringen, omdat ze bijvoorbeeld zelf niet voor hun verleden openstaan.4 Daardoor beschermt hun eigen onwetendheid de vervalste herinnering aan een gelukkige jeugd en daarmee ook het beeld dat veel mensen van hun geïdealiseerde ouders hebben.

Het mantra klinkt dat we het verleden moeten loslaten, maar loslaten is iets anders dan verwerken. Het is een misvatting dat we niet bij het verleden mogen stilstaan, op voorwaarde dat we doelgericht op zoek gaan naar oplossingen. Dan kunnen we juist alle steun van vrienden en familie gebruiken om het proces succesvol af te ronden.

Ook de wetenschap bemoeilijkt de waarheidsvinding. In de twintigste eeuw ontstond een wetenschappelijke stroming die zich met de ontwikkelingspsychologie van kinderen zou gaan bezighouden. Zij reduceerde de geest van het kind tot een zielloos bouwpakket dat pas na de kindertijd functioneel ‘volwassen’ zou kunnen worden. De invloedrijke theorieën van bijvoorbeeld de Zwitserse ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget delen de geestelijke groei van het kind in een aantal ontwikkelingsstadia in, zoals bijvoorbeeld de “preoperationele fase” voor kinderen in de leeftijd van twee tot zeven jaar.5

Zulk dubbelzinnig taalgebruik dat kinderen als mens ‘pre-operationeel’ beschouwt, dus alsof zij technisch nog niet af zouden zijn, zegt meer over het wereldbeeld van de wetenschapper dan over kinderen. Dit geloof in een mechanische hersenontwikkeling leidt ertoe dat we de waarnemings- en herinneringsvermogens van kinderen nog niet zouden mogen vertrouwen. Criticus Webster Callaway onderzocht het oeuvre van zijn onderwerp in het boek Jean Piaget. Hij concludeert dat de ontwikkelingspsycholoog zijn uiterste best heeft gedaan om zijn ware bedoelingen met gelaagde dubbelzinnigheden te verbergen:

“Piagets nihilistische, bijna ondenkbare plan om zijn ware standpunt niet-communiceerbaar te maken, vormt een formidabel obstakel voor eenieder die zou proberen om zijn theorie begrijpelijk te maken. Men moet zich afvragen wat iemands unieke methodologische en psychologische toestand is die zich gedwongen voelt constant over zijn metafysische doctrines te schrijven, maar die tegelijkertijd moet voorkomen dat deze doctrines helder worden begrepen. […]

[Zijn methoden van bedrog] zijn zo ondenkbaar dat, alhoewel bewijs op bijna iedere pagina van zijn vele boeken te vinden is, ze over het hoofd zijn gezien, blijkbaar omdat niemand zulk monsterlijk gedrag als een mogelijkheid wilde beschouwen, zeker niet van zo’n ‘vriendelijk oud opa-type dat van kinderen houdt’.”6

Het gevaar van verdrongen herinneringen

Maatschappelijke vaderfiguren als Piaget houden de deur die toegang tot de ware herinnering aan onze verledens geeft mede dicht door een kinds vermogen om ervaringen op te slaan te diskwalificeren. Maar volwassen slachtoffers van vroeg misbruik hoeven geenszins te denken dat hun herinneringen niet authentiek zouden zijn alleen maar omdat ze nog kinderen waren toen het vermeende misbruik plaatsvond. Het grootste gevaar ligt namelijk niet in valse, maar in verdrongen herinneringen.

Paradoxaal genoeg bemoeilijkt ook het misbruik zelf zijn eigen herinnering. Volgens wetenschappelijk onderzoek raken de hersenen van lichamelijk, emotioneel of seksueel mishandelde mensen zodanig beschadigd dat slachtoffers later moeite hebben om de herinneringen eraan op te halen.7 Als gevolg van vroeg geweld krimpen sommige hersenonderdelen, zoals de amygdala en de hippocampus, precies de onderdelen die een rol spelen in het verwerken en ophalen van herinneringen.8

De menselijke hersenen hebben dus een ingebouwd zelfverdedigingsmechanisme dat pijnlijke herinneringen wegstopt. Daardoor schatten als kind mishandelde volwassenen het misbruik als minder zwaar of minder vaak in dan werkelijk plaatsvond.9 De officiële volksgezondheidscijfers over kindermishandeling blijken eveneens sterk onderschat.10 Deze amnesie die het kind beschermt, werkt echter in het nadeel van de getraumatiseerde volwassene, die de mogelijkheid verliest om de ware oorzaken voor zijn emotionele toestand te begrijpen.

Het cynisme van de natuur helpt ons niet verder, maar misschien kunnen we onszelf helpen door vervelende herinneringen uit het verleden niet langer weg te drukken, maar ze in ons bewustzijn toe te laten wanneer ze zich aanbieden. Door emotionele remmingen los te laten, kunnen we beginnen met een analyse van het verleden. Dan kunnen we het negatieve beeld van onszelf in ons eigen voordeel bijstellen.

Wie bijvoorbeeld in staat is om zijn negatieve zelfbeeld te begrijpen in het licht van jarenlange vernederingen, kan zijn negatieve zelfbeeld beginnen te veranderen in dat van een gezond en zelfverzekerd individu, omdat hij de leugens over zijn bestaan niet langer hoeft te geloven.


1 Carl Rogers, On Becoming a Person: A Therapist’s View of Psychotherapy (Houghton Mifflin, 1989), 23–24.
2 Stichting Skepsis, “Stichting Skepsis onderzoekt pseudowetenschap en het paranormale”, 2015.
3 Rob Nanninga, “Terug naar de wieg: Experimentele pseudoherinneringen”, Tijdschift Skepter, 2001.
4 Charles L. Whitfield, “Adverse Childhood Experiences and Trauma”, American Journal of Preventive Medicine 14, nr. 4 (1998): 361.
5 Jean Piaget en Bärbel Inhelder, The Psychology of the Child: The Definitive Account of the Great Psychologist’s Work (New York: Basic Books, 2000).
6 Webster R. Callaway, Jean Piaget: A Most Outrageous Deception (New York: Nova Science Publishers, 2001), 2.
7 Martin H. Teicher, “Wounds That Time Won’t Heal: The Neurobiology of Child Abuse”, Cerebrum, oktober 2000, http://www.dana.org/Cerebrum/2000/Wounds_That_Time_Won%E2%80%99t_Heal__The_Neurobiology_of_Child_Abuse/.
8 Robert F. Anda e.a., “The Enduring Effects of Abuse and Related Adverse Experiences in Childhood: A Convergence of Evidence from Neurobiology and Epidemiology”, European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience 256 (2006): 181.
9 Maxia Dong e.a., “The Interrelatedness of Multiple Forms of Childhood Abuse, Neglect, and Household Dysfunction”, Child Abuse & Neglect 28 (2004): 780.
10 Robert F. Anda e.a., “Building a Framework for Global Surveillance of the Public Health Implications of Adverse Childhood Experiences”, American Journal of Preventive Medicine 39, nr. 1 (2010): 94.

Reacties

Creative Commons-Licentie
Het verdrongen verleden van Mathijs Koenraadt is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 4.0 Internationaal-licentie.