Het verstommende lied van het Westen

An illustration by Frederick Remington for the poem, 1889.

Afbeelding: An illustration by Frederick Remington for the poem, 1889.

“Oh, mijn Hiawatha! Al je gebeden zijn gehoord in de hemel, Want jij bidt niet als de anderen; Niet voor bekwaamheid bij het jagen, Niet voor ambacht bij het vissen, Niet voor triomf in de strijd, Noch befaamdheid onder krijgers, Maar ten voordeel van de mensen, Ten verdienste van de naties.”

Deze zinnen komen uit het epische gedicht Het lied van Hiawatha door Henry Wadsworth Longfellow, geschreven in 1855. Datzelfde jaar, in een tijd dat politieke correctheid nog moest worden uitgevonden, gaf een anonieme recensent voor de New York Times het gedicht een hard oordeel:

“Als indiaanse saga die aangenaam genoeg balsemt langs de monstrueuze tradities van een oninteressant, en, kan men wel zeggen, een terecht uitgeroeid ras, heeft Het lied van Hiawatha recht op lof. Als gedicht verdient het geen plek,… er is niets romantisch aan de indiaan.”

Longfellows gedicht volgt de geboorte, het leven en de avonturen van een opgroeiende Hiawatha. Zijn avonturen komen tot een einde wanneer, in het een-na-laatste hoofdstuk, de held blanke missionarissen tegen het lijf loopt die het christendom komen verspreiden. Passief ondergaan de indianen de komst van deze vreemdelingen uit de ochtendstreken: „Laat ons hen dan verwelkomen, deze vreemden, Noem ze onze vrienden en onze broeders, En geef ze de hartelijke rechterhand van vriendschap wanneer ze ons komen bezoeken.”

Zoals we nu weten, heeft deze naïeve, vriendelijke welkomstcultuur de indianen een combinatie van oorlog en ziekte-epidemieën gebracht die eindigde in de bijna volledige uitroeiing van de indiaanse beschaving. Maar bevinden wij, Europeanen, ons niet op een soortgelijk punt in tijd als we schaapachtig massamigratie ondergaan, hordes moslims toestaan zich op onze heilige geboortegrond te vestigen, de soldaten van Allah toelaten hun veroveringssymbolen op te richten, honderden zo niet duizenden moskeeën, barakken van haat in onze christelijke landen? Staan ook wij niet aan de vooravond van de val van onze beschaving?

Als indianen zo dom konden zijn om de gewelddadige kant van de blanke mens te negeren, en om zijn technologische gave te onderschatten, dan kan de blanke mens zelf toch zeker net zo dom zijn wanneer hij de subversiviteit van de islamitische oorlogsdoctrine niet herkent, en een migrantenonderstroom die ons haat onderschat. Terwijl aan de ene kant onze zelfopgelegde beleefdheid, onze geïnstitutionaliseerde politieke correctheid, en ons op vertrouwen gebaseerde opengrenzenbeleid de uitwisseling van ideeën zeer ten goede is gekomen en ons enorme economische winsten bracht, moeten we aan de andere kant toch toegeven dat deze dingen onze geesten hebben verblind voor de Trojaanse dreiging van een vijandige overname.

Het Westen is de weg kwijt. In minder dan een eeuw tijd stuiterden we van fascistisch Hitlerisme naar ultralinkse verzoeningspolitiek. De klepel van de klok die het noodlot slaat heeft het Westen uit zijn balans gebracht. We zijn alle gevoel voor richting, rede en gezond verstand kwijtgeraakt. Zoals Charlie Chaplin ooit zei: „We hebben kracht ontwikkeld, maar we hebben onszelf binnengesloten. Machinerie die ons welvaart ten overvloede bracht, laat ons smachtend achter.” Het zal niet lang meer duren voor het valse lied van de globalisering overgaat in het hypnotiserende gekrijs van de zwartgeklede sirenen van de islam.

Laat ons ophouden horende doof en ziende blind te zijn. Laat ons niet langer werken voor bergen van goud, niet voor nog meer zelfpromotie, niet om te laten zien hoe goed we zijn, niet voor aanzien in het buitenland, maar voor de kracht van onze eigen mensen, voor de wederopstand van Nederland.

Reacties

Creative Commons-Licentie
Het verstommende lied van het Westen van Mathijs Koenraadt is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 4.0 Internationaal-licentie.