De parlementaire democratie: Een allegorie

Op een zondag komt bezoek over de vloer, een ouderpaar met hun zoontje van vier. De jongen is erg druk. De ouders weten zich soms geen raad met zijn hyperactiviteit. Ze vinden het moeilijk om zijn extraverte driften te beteugelen. Aan tafel tijdens de lunch zit de jongen desondanks rustig naast me, met zijn ouders tegenover ons. Hij heeft dorst en vraag zijn moeder om wat drinken. Die schenkt hem een glaasje jus d’orange in. De jongen neemt er een klein slokje van, zet de beker weer neer en zegt dat hij het niet lust.

“Lust je nou alweer je drinken niet?” vraagt de moeder. Ze kent dit spel. „Nee,” zegt de jongen, „het is te zoet!” Maar volgens de moeder verwart de jongen de begrippen zoet en zuur. Dat doet ie wel vaker. Hij is toch pas vier, zo slim is hij nog niet. Ze neemt een klein schepje suiker en mengt het met het sapje. Opnieuw neemt de jongen voorzichtig een slokje. En ja hoor, weer zet hij de beker neer en begint te jammeren dat het zo zoet is. Hij lust het zogenaamd niet. Nu wordt de moeder boos. “Wat wil je dán drinken?” vraagt de moeder. “Limonade? Melk? Of een multivruchtensap?”

Nee, hij lust dat allemaal niet. Ook allemaal te zoet. Te zuur volgens zijn moeder. Toch blijft hij zeuren dat hij zo’n dorst heeft. Hij wil iets anders, maar hij weet niet wat. Nu begint ook de vader zich ermee te bemoeien: “Jongen, jij speelt altijd hetzelfde spelletje met ons! Je vraagt om wat te drinken, we geven je wat te drinken, maar dan lust je het opeens niet meer. Zo kan het niet langer hoor! Drink maar gewoon op wat je moeder je heeft gegeven.” De jongen begint bijna te huilen, wat de irritaties van zijn vader alleen maar vergroot. Wat heb je nou aan zo’n zoon? De jongen jammert en huilt met opzet, gewoon, om zijn ouders te treiteren.

Maar mij valt iets op. De kleine jongen naast me is duidelijk gefrustreerd. Hij zit er verslagen bij. Ik zie dat hij het echt moeilijk heeft. Dat lijk me allemaal geen toneelspel. Zonder iets te zeggen loop ik naar de keuken en vul een glas met kraanwater. “Hier, jongen, volgens mij wil je gewoon wat water,” zeg ik. Het jochie drinkt het glas water met volle teugen leeg. Zijn ouders zijn er perplex van en staren wat voor zich uit. De jongen is meteen helemaal opgeknapt. Hij had echt dorst gehad en lustte die mierzoete vruchtensappen gewoon niet. Hij speelde helemaal geen spel.

Wat blijkt? Zijn ouders hadden hem zijn leven lang vruchtensapjes ingeschonken. Niet de jongen verwarde zoet met zuur, maar zijn ouders verwarden verzet met ongehoorzaamheid. Geen wonder dat ie zo hyperactief was — zijn kleine lijfje zat tjokvol suiker.

Ook politici beweren hardnekkig zeker te weten wat het beste is voor hun ‘onderdanen’. Maar als die overtuiging op onwetendheid berust, dan gaat het mis. Een burger weet zelf natuurlijk wat het beste voor hem is. Dat hoeft een politicus hem niet te vertellen. Een goed politicus leert daarom van de burger door naar de burger te luisteren, door vragen te stellen, de antwoorden te geloven en de gewone mensen serieus te nemen. Politici die hun eigen aannames blijven volgen, vertegenwoordigen het volk niet. Die vertegenwoordigen alleen zichzelf.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s